De
Markelose kerkgeschiedenis kent een rijke historie. Tot tenminste het jaar
770 werden de bewoners van Twente, en dus ook Markelo, tot de heidenen
gerekend.
Met steun van de Saksiche adel werd het christendom door Lebuïnus
en diens medewerker Marcellinus ook over de IJssel verbreid.
Tijdens zijn
visitatiereizen in het Twentse land hield de bisschop zitting op de
Markeloseberg. Daarom wordt algemeen aangenomen dat de eerste Markelose kerk
omstreeks 800 gebouwd moet zijn. De
Markelose kerk bestond in ieder geval vóór 1224, want uit een oorkonde van
dat jaar valt op te maken dat Diepenheim vanaf dat jaar werd losgemaakt van
Markelo. De kerk van vóór 1224 was gewijd aan de Heilige Martinus en
heette dus: st. Martinuskerk.
Het
schip van de in 1840 afgebroken kerk, dat bekend is uit een plattegrond in
het Rijksarchief in Zwolle en uit een getekend aanzicht vanuit het noorden,
zou wel eens ouder kunnen zijn dan de eerste aantoonbare vermelding van de
parochie uit 1224.
De afscheiding van Diepenheim gebeurde bij oorkonde van 29
december 1224 door Otto van der Lippe, bisschop van Utrecht, op verzoek van
Otto, graaf van Diepenheim en diens echtgenote, vanwege de moerassige
gesteldheid van het land tussen beide plaatsen. Aan het
schip van de kerk werd in de 15de eeuw een koor toegevoegd. Ook
werd in diezelfde 15de eeuw de bestaande toren opgetrokken.
Tot in
de 17de eeuw was Markelo een bedevaartplaats. Dit blijkt uit
o.a. de notulen van de vergaderingen van de classis Deventer d.d. 25 april 1604 en 3 april 1627. Markelo was toen pas tot het Calvinisme
overgegaan. Pastoor Johannes Hardenack was in 1601 de "nieuwe leer" toegedaan.